Het brutoloon vormt het uitgangspunt voor de berekening van de loonbelasting. U houdt de loonbelasting in op het brutoloon. Om te berekenen hoeveel loonbelasting u moet inhouden per uitbetaling aan uw werknemer, moet u een aantal stappen nemen. In het onderstaande voorbeeld kunt u zien hoe dat precies werkt.
Voorbeeld (volgens tarieven 2010)
Stel u neemt iemand voltijds in dienst. Het afgesproken bruto maandloon is Afl. 8.000,-. Uw werknemer valt in tariefgroep 2. Uw werknemer ontvangt geen beloning in natura of vergoedingen en doet niet mee in een pensioenregeling en krijgt geen vakantiegeld.
stap 1: u herleidt het brutoloon tot een voljaarsloon dus 12 x Afl. 8.000,- = Afl. 96.000
stap 2: u berekent de aftrekbare kosten en bepaalt het zuiver voljaarsloon:
| Kosten 3% met een maximum van Afl. 1.500,- = |
Afl. 1.500,- |
| Werknemersdeel premie AOV/AWW: 4% van Afl. 54.600,- = |
Afl. 2.184,- |
| Werknemersdeel premie AZV: 1,6% van Afl. 85.000,- = |
Afl. 1.300,- |
| Zuiver voljaarsloon = |
Afl. 91.016,- |
stap 3: u stelt het tabelinkomen vast. Dit berekent u door het belastingvrije bedrag af te trekken van het zuiver voljaarsloon. Het belastingvrije bedrag bedraagt in 2010 Afl. 20.252,-. Het tabelinkomen bedraagt dus Afl. 91.016,- minus Afl. 20.525,- = Afl. 70.764,-.
U vindt in de IB/LB tabel 2010 het bijbehorende bedrag voor loonbelasting dat per jaar betaald moet worden bij dit tabelinkomen: Afl. 14.149,48.
stap 4: u deelt het jaarbedrag van de te betalen loonbelasting door het aantal uitbetalingen dat u doet in dat jaar en houdt dit bedrag in bij elke loonbetaling die u doet aan uw werknemer in dat jaar. In dit geval deelt u het bedrag door 12 = Afl. 1.179,12